 |
| Een typische col in Baskenland. Let op de toren 'cayolar' rechtsboven. (C) Bart Goemaere |
Die
dag, toen ik op een haar na een Wespendief in m'n bakkes kreeg dus, zag
ik niemand op de col. De andere spotters hadden besloten hun noodlot in
Chalet Base Camp kaartend, nietsend, drinkend, elkaardekopinslaand,
rondjesdraaiend, te ondergaan.
Nochtans hadden ze geen reden tot
klagen, vond ik. Ze hadden een dak boven hun hoofd, ze hadden warm eten,
en waren de dag dat de mist kwam tenminste niet aan de dood ontsnapt
zoals ik. Het eerste had ik immers niet, het tweede ook niet, het derde
wel. Tegen mij moesten ze niet klagen.
Toen immers de
col, en het massief van Iraty, en het hele Pays de Saule, en heel Frans
Baskenland, in de wolken verdween werd ik 's avonds door m'n vrienden
van LPO Aquitaine, dat sinds 2005 de trektelling coordineert, uitgenodigd in hun
chalet voor een babbel, een glas, nog een glas en een warm bord. Fijne
boel, plezant om elkaar terug te zien enzovoort en toen ik rond
middernacht terug in m'n mistige tent kroop had ik geen flauw idee dat
ik evengoed op een slapende krokokil had kunnen kruipen - is me echt
overkomen, in Nepal, ik dacht dat het een stuk boomstronk was, bijna
pipi in de slip, soit.
Anderhalf uur later werd ik wakker van een
oorverdovende donderslag en slaande regen op m'n tentzeil. Onweer.
Vlakbij. En ik zat, of lag, op een bergkam. Oeps. Geen tel erna een
lichtflits. Ik telde de seconden. Dertien. Vier kilometer dus, achter
me, op de zuidfland van de Pic d'Orhy. Nieuwe flits, en nog een en nog
een en nog een. Negen seconden, zeven, vier, drie. Toen brak de hel los.
Het epicentrum zat boven de col. Gedurende meer dan dertig minuten - voor
mij leek het meer dan tien uur - sloegen links, rechts, voor en achter
me de flitsen in terwijl de hemel openkraakte. Geen seconden meer, het
was hier en het was nu. Oorverdovend. Thor beukte op z'n aambeeld. En
Thor kon er wat van, die nacht. De tent verlaten was geen optie, bidden
ook niet vermits ik zo ongelovig ben als 't maar enigszins kan zijn. Het
enige wat ik kon doen was m'n aarding zo groot mogelijk maken. Ik
spreidde dus armen en benen in m'n tent en wachtte. Op wat? Geen idee.
Op het einde van het bombardement, wellicht. Of m'n eigen einde, geen
idee. De vloer trilde bij elke inslag. Zelden, nooit eigenlijk, zo lang
zo bang geweest. M'n hart bonkte letterlijk in m'n keel - en ik die
dacht dat het om een figuurlijke uitdrukking ging. Niet dus. Akelige
ervaring.
Traag, heel traag, tergend traag, namen de pauzes tussen
flitsen en knallen opnieuw toe en schoof het onweer richting kust. 't
Is een cliché, maar ik voelde opnieuw leven door m'n lichaam pompen.
Blij, opgelucht, viel ik opnieuw in slaap. 't Is stom, maar 'k was
gewoon blij dat de bliksem me niet had geraakt. Misshien toch zo geen
goed idee, die tent, op die col.
's Anderendaags hoorde
ik dat de bliksem meerdere keren op en rond de chalets was ingeslagen
en dat de helft van de bouwsels zonder stroom zat. Bovendien hing er een
beklijvende brandlucht over de hele omgeving - wellicht was er her en
der een beuk gesneuveld. Het was hevig geweest, toch. De
electriciteitspanne zou meer dan vier dagen duren.