Er hangt een bosgeur in de keuken. En het is nu - schrijftijd - 6 uur 37. Lang geleden dat ik die geur nog in de neus heb gehad. En nog langer dat ik die in m'n keuken heb gedetecteerd. Je kent dat wel: een zure basis van rottende bladeren en champignons, een lichte toets van vochtige aarde en een vleugje vossenpis. Bosgrond dus. Dat doet me trouwens terugdenken aan de tijd dat ik nog lid was van een Roosdaalse wijnclub - één van die vele vergissingen op m'n palmares. Ik, zoals steeds, veel te eerlijk en veel te humoristisch als ik me ergens totaal niet op m'n gemak voel. Toen we dus diverse wijnen proefden en men me naar m'n mening vroeg was m'n reactie, in 't geval het brouwsel echt niet te zuipen was 'dat brouwsel is echt niet te zuipen'. Na diverse echtelijke discussies - m'n madam van toen was het beu om zich ongemakkelijk te voelen - begreep ik dat je soms de waarheid beter een draai geeft. En je antwoord motiveert.
In 't geval van schijtwijn werd het dus eens 'Ik proef een zachte basis van verbrand rubber en benzine, met een lichte toets van houtlijm en een volle neus van nagellak en vochtige cement'. Ook ironie was geen goeie keuze. Resultaat: ik veranderde van club. Ik veranderde van drank. Ik veranderde van madam. Ik veranderde van streek. En wat later veranderde ik zelfs van werk. En telkens maakte ik de goeie keuzes, bovendien. Ik ging boogschieten, bier drinken, en kocht een windmolen in de Vlaamse Ardennen.
Soit, die bosgeur in de keuken dus. Je herinnert je die kluiten Struikheide die ik uit de Pyreneeën meebracht? Wel, uit een ervan ga ik een pijp maken (meerbepaald een calumet), en op het net las ik dat je hiervoor de kluit zo'n 12 uur moet koken om alle tanines en andere rotzooi eruit te krijgen. We zijn dus bezig met een kookmarathon, en gaan de hele dag genieten van het aroma van een winters Hallerbos in huis.
Zalig! Waar is de tijd?
't Is eens iets anders dan de klassieke wafels op zondagmorgen...
Een mooie uitleg over pijpenmakerij vind je hier.
Posts tonen met het label wijn. Alle posts tonen
Posts tonen met het label wijn. Alle posts tonen
zondag 4 maart 2012
zondag 28 februari 2010
Madeliefperspectief
Prikkelende ogen, tintelende wangen en pijnlijke knieën, dat krijg je van een hele dag druiven snoeien. Van een hele week druiven snoeien, eigenlijk. ’t Weer was immers prachtig en de ‘viticulteurs’ hebben tot circa half maart tijd om hun struiken klaar te zetten voor het seizoen 2010, anders wordt de sapstroom te fel en wordt het een smeerboel op de struiken. Vermits Bart niet alleen parket kan leggen, muren metsen en pleisteren, plinten zetten, verven, loodgieterijen, hout en staalconstructies bouwen (niet speciaal in die volgorde) maar ook met een snoeischaar overweg kan werd hij dus ook gevraagd om een tandje bij te steken op de lokale terroirs: kort zetten die handel. ‘k Breng dus ’t grootste deel van m’n dag op m’n knieën door en dat straatmadeliefsperspectief zorgt ervoor dat je ’t landschap met andere ogen gaat bekijken.
De meeste terroirs aka wijngronden hier bestaan uit Oligocene mergels. Bij wijn gelden de drie t’s: de druivensoort, de zon en de terroir. De juiste druif in de juiste streek op de juiste plaats zijn de ingrediënten voor een goed wijntje. Mits door de juiste handen behandeld, uiteraard. Tot zover mijn wijnkennis. Voor de niet-geografen en Oligoceenmergelspecialisten: Oligocene mergel staat voor een klei-leemachtige grond die veel kalk bevat (zowel opgelost als onder de vorm van schelpfragmenten en brokken kalksteen) die geweldig aan je schoenen plakt als ’t een beetje begint te regenen. Deze mergel werd afgezet in een ondiepe zee (in het Oligoceen, zo'n 30 miljoen jaar geleden) op een moment waarin het Centraal Massief (dat net ten noorden ligt) langzaam werd opgeheven doordat Afrika tegen Europa aan 't duwen was (beter bekend als de vorming van de Alpen). Voor de geografen en andere geopuristen: opmerkingen kan je plaatsen in het luikje ‘Reacties’ onderaan dit artikel. De Oligoceentijd was dus een geweldige tijd. De zeeën die tientallen miljoenen jaren grote delen van Frankrijk hadden overspoeld trokken langzaam weg en in hun kielzog lieten ze hun sporen achter onder de vorm van dikke afzettingen. Je vindt dus rijkelijk veel fossielen in die mergel, gaande van grote oesters tot ‘wulkachtige stekelschelpen’ zoals ik ze noem.
De mergel vertelt echter nog een ander, zowaar even fascinerend, verhaal. Je vindt er immers ook heel veel menselijke sporen in terug. Geen beenderen uiteraard (nog niet) maar wel sporen die getuigen van werkmanskunst: jachthulzen (helaas, heel veel zelfs), scherven (keramiek, porselein, loodglas, gekleurd glas en zowaar een keramieken stekker uit Edison's tijd), een halfvergane lederen handschoen, metaal (een oude munt, een halfvergane gesp, een stuk van een dikke oude houtboor, een zware spijker) etc, en dit alles op een schamele hectare grond. Ik ben er zeker van dat historici ons aan de hand van al dit materiaal heel wat over de streek zouden kunnen vertellen, gaande van de Romeinse tijd (Sète was immers een belangrijke handelshaven) tot nu. Alles ligt er nog, maagdelijk onaangeroerd. Op een handvol fossielen en het muntje na. De eerste heb ik voor me liggen, het laatste heb ik aan de eigenaar van de grond en dus mijn loonschieter kado gedaan. De historici in kwestie zouden ons wellicht verhalen vertellen in de trant van ‘dit muntje is wellicht verloren door een Romeinse handelaar die met zijn rijk gevulde zakken met een ezelskaravaan van Sète naar Gallia trok, terwijl de gebroken gesp wellicht is verloren door een stoutmoedige Frank die, achternagezeten door de vader van zijn aanstaande, met zijn broek halfopgeknoopt het hazenpad heeft moeten kiezen, terwijl de eerste de ene pot na de andere tegen zijn schedel mikte’. Ik verzin maar wat. De spijker komt wellicht rechtstreeks uit Jeruzalem en de houtboor uit Betlehem, terwijl de jachthulzen wijzen in de richting van de ETA. Je merkt het, een terroir kan ons een heleboel vertellen. Over de wijn zal ik ’t een andere keer wel hebben, maar ik kan je wel reeds verklappen dat deze terroirs heel fruitige wijntjes opleveren…
De meeste terroirs aka wijngronden hier bestaan uit Oligocene mergels. Bij wijn gelden de drie t’s: de druivensoort, de zon en de terroir. De juiste druif in de juiste streek op de juiste plaats zijn de ingrediënten voor een goed wijntje. Mits door de juiste handen behandeld, uiteraard. Tot zover mijn wijnkennis. Voor de niet-geografen en Oligoceenmergelspecialisten: Oligocene mergel staat voor een klei-leemachtige grond die veel kalk bevat (zowel opgelost als onder de vorm van schelpfragmenten en brokken kalksteen) die geweldig aan je schoenen plakt als ’t een beetje begint te regenen. Deze mergel werd afgezet in een ondiepe zee (in het Oligoceen, zo'n 30 miljoen jaar geleden) op een moment waarin het Centraal Massief (dat net ten noorden ligt) langzaam werd opgeheven doordat Afrika tegen Europa aan 't duwen was (beter bekend als de vorming van de Alpen). Voor de geografen en andere geopuristen: opmerkingen kan je plaatsen in het luikje ‘Reacties’ onderaan dit artikel. De Oligoceentijd was dus een geweldige tijd. De zeeën die tientallen miljoenen jaren grote delen van Frankrijk hadden overspoeld trokken langzaam weg en in hun kielzog lieten ze hun sporen achter onder de vorm van dikke afzettingen. Je vindt dus rijkelijk veel fossielen in die mergel, gaande van grote oesters tot ‘wulkachtige stekelschelpen’ zoals ik ze noem.
De mergel vertelt echter nog een ander, zowaar even fascinerend, verhaal. Je vindt er immers ook heel veel menselijke sporen in terug. Geen beenderen uiteraard (nog niet) maar wel sporen die getuigen van werkmanskunst: jachthulzen (helaas, heel veel zelfs), scherven (keramiek, porselein, loodglas, gekleurd glas en zowaar een keramieken stekker uit Edison's tijd), een halfvergane lederen handschoen, metaal (een oude munt, een halfvergane gesp, een stuk van een dikke oude houtboor, een zware spijker) etc, en dit alles op een schamele hectare grond. Ik ben er zeker van dat historici ons aan de hand van al dit materiaal heel wat over de streek zouden kunnen vertellen, gaande van de Romeinse tijd (Sète was immers een belangrijke handelshaven) tot nu. Alles ligt er nog, maagdelijk onaangeroerd. Op een handvol fossielen en het muntje na. De eerste heb ik voor me liggen, het laatste heb ik aan de eigenaar van de grond en dus mijn loonschieter kado gedaan. De historici in kwestie zouden ons wellicht verhalen vertellen in de trant van ‘dit muntje is wellicht verloren door een Romeinse handelaar die met zijn rijk gevulde zakken met een ezelskaravaan van Sète naar Gallia trok, terwijl de gebroken gesp wellicht is verloren door een stoutmoedige Frank die, achternagezeten door de vader van zijn aanstaande, met zijn broek halfopgeknoopt het hazenpad heeft moeten kiezen, terwijl de eerste de ene pot na de andere tegen zijn schedel mikte’. Ik verzin maar wat. De spijker komt wellicht rechtstreeks uit Jeruzalem en de houtboor uit Betlehem, terwijl de jachthulzen wijzen in de richting van de ETA. Je merkt het, een terroir kan ons een heleboel vertellen. Over de wijn zal ik ’t een andere keer wel hebben, maar ik kan je wel reeds verklappen dat deze terroirs heel fruitige wijntjes opleveren…
Abonneren op:
Posts (Atom)
